Interview met Leidse dichter Leo van Zanen

-geboren 1953 in Dordrecht. Groeide op in Zuid-Hollandse dorpen in een gereformeerd gezin en kwam (dus) al vroeg in aanraking met de wereld van het woord en de taal. Kreeg hij voor zijn verjaardag blokken dan bouwde hij daar geen huizen of andere constructies mee, maar hij maakte er letters van. Kleine Leo meenemen met winkelen betekende stilstaan bij elke winkelruit – wat stond daar geschreven? Het mag niet gek heten dat hij nu, ruim een halve eeuw later, nog steeds zijn tijd grotendeels vult met lezen en schrijven. Het genoegen dat hij aan beide beleeft, brengt hij graag af en toe ten gehore in lezingen en voordrachten…

* Leo, wat vind je van het concept van De Boekenzolder Leiden?
Dat heb ik al eens verdedigd in een toespraak. Ik vind het een goed initiatief dat er voor mensen met een smalle beurs of mensen in moeilijke omstandigheden literatuur en andere boeken voorhanden zijn. Boeken zijn vaak duur en er zijn steeds meer mensen in Nederland die daar niet altijd het geld voor hebben. Voor die doelgroep vind ik De Boekenzolder Leiden een uitstekende functie vervullen. Daarnaast neem ik aan dat het toegankelijk stellen van de ruimte voor andere bezoekers een secundaire activiteit is voor De Boekenzolder en daarvan profiteren dan mensen zoals ik. Zo vind ik het ook leuk om langs boekenkraampjes, antiquariaten en dergelijke te gaan om mij te laten verrassen door iets waar ik misschien al jàren naar zoek. Of juist door iets wat ik nog niet kende…Ik heb er dus alle waardering voor en kom er graag en regelmatig.

* Waar ligt voor jou de waarde van een boek?
Laat ik eerst zeggen: “bij de inhoud”. Ik ben niet op zoek is naar de eerste druk, tenzij die inhoudelijk interessant is. Ik hoef ook geen dure uitgave, een heruitgave in pocketvorm is ook goed of liever: een ingebonden exemplaar. Hoewel: In de jaren ’60, op school, kocht ik mijn eerste boeken. De Prisma-pockets uit die tijd vielen binnen tien jaar uit elkaar als je ze nog eens opende. Amstel pockets hetzelfde. Dus ik ben altijd wel blij als ik nieuw of tweedehands een gebonden versie tegenkom.
Wat is voor mij de waarde van een boek? Ik ben vooral een lezer van literatuur. Ik heb zelf Nederlands gestudeerd in Leiden. Als afstudeerrichting koos ik Algemene Literatuurwetenschap. Ik ben afgestudeerd op het onderwerp Russisch Formalisme. Reeds op school las ik romans en verhalen uit vreemde talen: bij voorbeeld Russisch of Japans. Vertaald natuurlijk en als het kon in het Nederlands.
Naast dat lezen ben ik gaan schrijven, al blijft elke schrijver ook een lezer. Omdat je niet alleen uit ‘het leven’ je onderwerpen haalt, maar ook geïnspireerd wordt door andermans werk. Je ziet hoe je dingen onder woorden kunt brengen, hoe je tegen dingen aan kunt kijken.
Maar het voornaamste van literatuur lezen is: genieten, zonder je te bekommeren om bijvoorbeeld nuttig effect .

* Kan je iets over je tijd bij de radio vertellen?
Natuurlijk, met plezier zelfs. Op zoek naar een plek in de maatschappij vlak na mijn studie kwam ik onder andere bij de streekomroep Rijnland terecht. Destijds in de jaren ‘80 hadden we op donderdag van 17 tot 18 uur een wekelijks radioprogramma ‘Kunst en Cultuur’. Ik had daar de functie van eindredacteur. In het programma hadden we allereerst een agenda met wat er zoal gebeurde op het gebied van muziek, film en wat voor lezingen er gehouden werden. We probeerden daar vaak niet alleen aankondigingen van te maken, maar hadden ook interviews met mensen die lezingen hielden of we vroegen de schrijvers om de tekst zelf voor te lezen. Als er in de schouwburg een internationale chansonweek was, konden we via de directeur, toen nog Frans Boelen, toegang krijgen tot grote namen. Zo hebben we interviews met bijvoorbeeld Astor Piazolla en Michelle Legrand gedaan. Het was een leuke tijd en we hadden een enthousiaste redactie. We stonden wel een beetje alleen; het was min of meer een streekredactie. De andere redacties hadden meer lokale informatie. Dat was bijvoorbeeld sport en zij keken een beetje raar tegen een programma over cultuur aan. Maar we hebben het toch van het begin tot het eind volgehouden.

Daarna heb ik ook nog zo’n anderhalf jaar de uitagenda voor de televisie van Omroep Rijnmond gedaan. Dat was elke week een kwartiertje met aankondigingen en af en toe een interviewtje. Zo kwam ik dus geleidelijk in het culturele wereldje terecht. Begin jaren ´90 nam ik de organisatie over van Chanson noire – een open podium voor muziek en poëzie in café The Duke in Leiden, een paar jaar eerder opgezet door Paola Tuin en dichter Rik van Boeckel. We hadden gasten als Drs. P en duo ‘Ajuinen & Look'(: nu Thomas van Luyn en Mike Boddé). Wat ik mij het best herinner is de professionele ondersteuning die ik telkens weer ontving van de (intussen overleden) eigenaar Dick Wansink.

Via die bezigheden kwam ik in aanraking met Leidse kunstenaars. Ik werd gevraagd, organisatie en administratie te verzorgen van Kunstcentrum Haagweg 4, de in 1993 door kunstenaars in gebruik genomen voormalige Ambachtsschool.
Tenslotte kwam ik in de ouderenzorg terecht, als alarmwacht in een serviceflat. Het was heel iets anders. Maar omdat het geen arbeidsintensieve baan betrof had ik gelegenheid mijn liefhebberijen, soms zelfs in werktijd, voort te zetten: lezen, schrijven, films kijken.

* Heb je een favoriete dichter/schrijver? 

Eén favoriete dichter heb ik niet. Wel passen bepaalde soorten schrijvers meer dan andere bij mijn persoon. Of bij mijn stem – zo werd tenminste geoordeeld door de blindenbibliotheek, waarvoor ik een aantal jaren boeken heb voorgelezen. Om bij poëzie te blijven: ik kreeg niet alleen de Razende Roeland (renaissancistisch epos, vertaald uit het Italiaans van Ariosto) toegewezen en Poesjkins Jevgeni Onegin, maar ook werk van de door mij hoog geschatte Jean Pierre Rawie.
Meer dan wat ook heeft het voorlezen me geleerd hoeveel belang poëzie heeft bij voordracht. Als je hardop gaat oefenen komen de teksten van het papier in je hoofd en in je hart. Zo heb ik een aantal gedichten uit het hoofd geleerd, wat als voordeel heeft dat je ze op elk gewenst moment kunt voordragen. Bijvoorbeeld De moeder de vrouw van Nijhoff, of ‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid van Dèr Mouw. Vorige week heb ik het sonnet Zoek van Rawie aan mijn ‘repertoire’ toegevoegd. En ja: ik heb inderdaad meer voeling met klassiek vormgegeven poëzie dan met wat er tegenwoordig wordt geproduceerd aan onregelmatigs, onsamenhangends, onbegrijpelijks.

 

We zouden voor een dag naar Padua, niet zonder doel.
Volgens een zegsman zaten daar een paar mooie antiquariaten, ik hoef dat maar te horen en ik ga.
De oorlog liet ook hier zijn sporen na, maar er is toch nog heel wat heel gelaten.
We struinden door gerestaureerde straten, tot aan het plein met de Basilica.
De kerk aan Sint Anthonius gewijd, de heilige voor zoekgeraakte zaken.
Het was er druk, de mensen zijn veel kwijt. Maar van hervinden is voor ons geen sprake.
Wat wij verloren zijn is tijd. Een feit dat niets en niemand ongedaan kan maken.

* Dat voordragen lijkt op acteerervaring te wijzen…

Dat klopt, ik ben nog een paar jaar lid geweest van Theater Imperium, hier in Leiden. Daar heb ik onder andere voordrachten gedaan en gespeeld in Oom Wanja, een stuk van Tsjechov. In 1995, toen het nieuwe stadhuis van Den Haag werd geopend met een voorstelling van het Nationale Toneel, heb ik een rol gespeeld in Julius Caesar van William Shakespeare. Zo heb ik overigens ook mijn vrouw ontmoet.
Door het toneelspelen heb ik gemerkt dat je best veel tekst in je geheugen kunt krijgen. Vroeger op school vond ik dat uit je hoofd leren onzin, maar later bedacht ik dat het toch wel zinnig is: je kunt bijvoorbeeld à l’improviste iets aan mensen laten horen. Daarnaast vind ik het belangrijk dat gedichten niet alleen gelezen, maar vooral ook gehoord worden. Een gedicht is vooral ook een auditief product!

* Hoe zie jij de toekomst van de poëzie?

Als ik bedenk dat iemand als Jean Pierre Rawie de enige dichter in Nederland is die van zijn schrijven kan leven -en ik besef daarbij: schrijft in de klassieke stijl- dan zou ik hoop moeten hebben voor de toekomst. Alleen, hij is misschien zo’n uitzondering die goed verkoopt en ook nog eens goede kwaliteit heeft. Het meeste wat goed verkoopt is iets wat populair is en meestal aan ‘basale behoeften’ beantwoordt, dat zijn doorgaans niet de meest hoogstaande teksten, muziek, producten of wat dan ook.
Waar ligt de toekomst van de poëzie? Is rap bijvoorbeeld poëzie? Soms als je een rapper, zonder al te veel muzikale begeleiding hoort, kan het best wel dichterlijk zijn; ze rijmen, het is goed metrisch, meestal goed te volgen. Je zou hooguit over de inhoud kunnen discussiëren, ware het niet dat een gedicht zich niet stoort aan het onderwerp dat het behandelt. Een gedicht is namelijk een gedicht omdat het een mooie manier van omgaan met tekst is.

* Hoe breng jij poëzie zoal onder de aandacht van de mensen?
Optreden is van groot belang. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan culturele evenementen die door boekhandels, bibliotheken en horecagelegenheden worden georganiseerd.

* Wat heb je verder zoal georganiseerd en gedaan in en buiten Leiden?
Vroeger was ik aangesloten bij het dichterscircus van René Vallent goed, de voormalig manager van Jules Deelder. Hierbij reisden wij op vrijdag- of zaterdagavond Nederland rond met namen als bijvoorbeeld Joost Zwagerman en Simon Vinkenoog. Dan stonden wij op bedrijfsfeesten of op literaire avonden van een dorpscommissie. We reisden van Maastricht naar Groningen en vice-versa. Dat doe ik niet meer sinds René Vallentgoed niet meer zo actief is.

Begin jaren ’90 organiseerde ik met ondersteuning van Dick Wansink het open podium Chanson Noire in café The Duke in Leiden. Daar vertelde ik net al over.

Een recente productie van mij was de gesprekkenreeks ‘Het wonder van Leiden’, die ik in het seizoen 2013-2014 organiseerde in eet-, drink- en kunstlokaal ‘Vooraf en toe’. Eens per maand, op zondagmiddag, ontving ik iemand om over poëzie te komen praten. Ik wisselde er van gedachten met Ben Walenkamp (van stichting TEGEN-BEELD, de Leidse Muurgedichten en de Poëziemanifestaties aan de Nieuwe Rijn), maar ook mensen als Hans van der Veen, Pink Meltzer, Han Ruijgrok en Jaap Montagne ontbraken niet.

Op dit moment vorm ik het duo Diets & Duits met Hans van der Veen. Dit is gebaseerd op Nederlandse gedichten -door mij voorgedragen-, die door Hans naar het Duits vertaalt zijn en door hem voorgelezen. Dit optreden verzorgen wij in passende,  meestal chique kleding om het geheel af te maken.

* Wat zou je geworden zijn als je geen dichter was geworden?

Ik heb ooit eens in een gedicht vastgelegd dat ik vroeger hijskraanmachinist wilde worden!
Toen ik van school kwam ben ik eerst Rechten gaan studeren in Leiden, want ik wilde advocaat worden. Er was geen mooier beroep dan advocaat: mensen tegen een onrechtvaardige behandeling verdedigen! Ik wilde trouwens in Leiden gaan studeren, omdat ik ‘Pieter Bas’ had gelezen van Godfried Bomans. Maar goed, het is geen studie Rechten geworden, het is Nederlands geworden en daarna Literatuurwetenschappen. Die stap heb ik overigens genomen omdat ik de studie Nederlands te beperkt vond. Daarom heb ik het niet als doctoraalstudie afgemaakt, maar ik koos voor Algemene Literatuurwetenschappen, omdat ik meer buitenlandse literatuur- al dan niet vertaald- dan Nederlandse literatuur las.

* Voordat ik je de laatste vraag stel: op je website staat de regel: Liber Vincit Zonas. Wat betekent dit?

‘Het boek overwint grenzen’ of ‘Vrijheid overwint beperkingen’. Bij ‘Zonas’ moet je aan zone denken, het is een Grieks woord. Het is aardig hierbij op te merken dat ‘Liber’ ook één van de namen is van de God van de wijn, samen met bijvoorbeeld Bacchus. Die kreet heb ik bedacht omdat de eerste letters overeenkomen met mijn initialen: LVZ (Leo van Zanen). De spreuk komt van een andere spreuk: ‘Amor Vincit Omnia’ , wat ‘Liefde overwint alles’ betekent. Daarnaast bestaat de Latijnse spreuk: Labor Vincit, wat ‘werk/inspanning overwint’ ofwel: alleen door werken kom je ergens, betekent. Zo heb ik dus, met mijn initialen als richtlijn, Liber Vincit Zonas, verzonnen.

* Wat kunnen we in de (nabije) toekomst van je verwachten?
Met Duo Diets & Duits geven wij tijdens de Boekenweek 2016 voorstellingen in verschillende Openbare Bibliotheek en boekhandels.
Daarbij ben ik nog bezig het een en ander te plannen omtrent het 400e sterfjaar van William Shakespeare.
Ik zou dus zeggen: volg de verschillende berichtgevingen en kijk vooral op mijn website:  www.leovanzanen.nl