Interview met Meta Knol

Directeur van Museum De Lakenhal in Leiden

*Kunt u iets over uzelf vertellen?
Ik ben geboren in Veendam in 1969. Ik heb kunstgeschiedenis en algemene letteren gestudeerd in Utrecht. De eerste studie, kunstgeschiedenis heb ik afgerond. De tweede studie, algemene letteren net niet. Mijn specialisatie was moderne kunst, mijn afstudeerscriptie ging over Kurt Schwitters in Nederland, de tijd van Theo van Doesburg met De Stijl en het internationale conservatisme. Dat vond ik een hele mooie periode. Mijn eerste baan daarna was bij de stadsgalerij in Heerle in een piepklein museum. Het gebouw wordt ook wel Glaspaleis genoemd. Dat was een hele goede leerschool, omdat je in een relatief kleine organisatie de verschillende aspecten van het museale instituut leert kennen en ik mede mooie tentoonstellingen mocht maken. Daarna ben ik conservator moderne en hedendaagse kunst geworden in het Centraal Museum in Utrecht. Daar heb ik 12 jaar gewerkt, een lange periode waarin ik wederom veel geleerd en veel gedaan heb; onderzoek gedaan, geschreven, tentoonstellingen gemaakt en gelezen over het hele spectrum van moderne tot eigentijdse kunst. In 2009 ben ik directeur van Museum De Lakenhal in Leiden geworden.

*Wat is uw rol bij de stichting Framer Framed?
De naam ‘Framer Framed’ is afgeleid van het gelijknamige boek van T. Trinh Minh-Ha (Filmmaker, schrijver en componist; geboren in Vietnam – red.) Zij heeft een mooi en belangrijk boek geschreven over hoe wij in het algemeen naar mensen om ons heen kijken, waarbij in dit geval  film en kunst een belangrijke rol spelen. Hierbij belicht zij in het bijzonder vanuit welk perspectief wij denken; wij hebben allemaal ons eigen blik op de werkelijkheid en wij bouwen allemaal ons eigen denkbeeldige ‘frame’ daaromheen. Het idee is dat wanneer je die blik analyseert, als je iets meer afstand neemt en zou denken: waarom kijk ik zo, waarom heb ik die visie en wat onderscheid mij van een ander? Dan werkt dat vaak heel verhelderend, vooral als je dit bekijkt vanuit intercultureel perspectief. Iemand uit de V.S. zal bijvoorbeeld heel anders tegen een politiek aspect aankijken als een Europeaan of een Aziaat. Dat geldt voor kunst natuurlijk ook, we zijn allemaal min of meer gevangen in ons eigen kader en onze eigen culturele maatschappelijke achtergrond, opvoeding, genen enzovoort.
De titel van het boek ‘Framer Framed’ hebben we dus gebruikt bij de oprichting van deze gelijknamige stichting in 2010. Dat was naar aanleiding van een tentoonstelling die ik heb gemaakt in het Centraal Museum in Utrecht; mijn laatste voordat ik directeur werd in Leiden. Die tentoonstelling heette ‘Beyond the Dutch. Indonesië, Nederland en de beeldende kunsten van 1900 tot nu’.  Het ging over Indonesische kunstgeschiedenis in relatie tot Nederlandse kunstgeschiedenis. De visie van de Indonesiërs is namelijk volstrekt verschillend van de Nederlandse. Daarbij hebben we natuurlijk toch een gezamenlijke geschiedenis èn sterker nog: we hebben ook een gezamenlijke kunstgeschiedenis die nauwelijks belicht en absoluut onderkend is. Dus in die tentoonstelling gebeurde dat eigenlijk voor de eerste keer en daar kwamen zoveel interessante en inhoudelijke discussies uit voort dat dit uiteindelijk geleid heeft tot de oprichting van die stichting.
Deze is zich vervolgens gaan inzetten voor interculturele kunst in de Nederlandse museumwereld. Want kijk bijvoorbeeld naar het Rijksmuseum: dat is bijna allemaal Hollandse kunst en het Stedelijk Museum in Amsterdam: die hebben een indrukwekkende collectie hedendaagse kunst, maar die gaat alleen maar over West Europa & Noord Amerika. Daarentegen hebben vergelijkbare musea als het Louvre in Parijs of het British Museum in Londen een hele internationale verzameling. Dus de Nederlanders zijn wat dat betreft heel nationalistisch en we hebben het zelf niet door. Terwijl een museum een uiting is van onze culturele identiteit. Mijn diepe overtuiging is dat het maken van beelden zo oud is als de mensheid zelf. Om een voorbeeld te geven: toen ik kunstgeschiedenis studeerde, toen leerde ik dat deze begon bij de Grotten van Lascaux in Zuid Frankrijk. Dat is wel een heel eenzijdig perspectief, want in diezelfde tijd werden in China ook grotschilderingen gemaakt, alleen is dit bij ons nauwelijks bekend. Ik denk dat in deze tijd van kosmopolitisme, internationalisering, globalisering & internet het heel belangrijk is om je bewust te zijn van de beperking van je eigen blik. Een organisatie als Framer Framed stelt dit eigenlijk voortdurend aan de orde en aanvankelijk gebeurde dit door debatten, publicaties en allerlei samenwerkingsprojecten, maar sinds twee jaar hebben ze een eigen tentoonstellingsruimte in de Tolhuistuin in Amsterdam op een prachtige locatie aan het IJ.

*Ik zag dat u in 2007 een manifest gepubliceerd heeft in het NRC Handelsblad?
Dat klopt, dat heb ik in 2007 samen met Stijn Huijts & Edwin Jacobs gepubliceerd, onder de naam  ‘Naar een mondig museum’. In die tijd was ik nog conservator en wij vonden dat musea in het algemeen eigenlijk te weinig reageerden op veranderingen die in de maatschappij gaande waren. Als je kijkt naar de klassieke museale cultuur, dan is dat eigenlijk een hele hiërarchische cultuur, waarin de kenner aan het grote publiek vertelt ‘hoe het zit’. Wat het grote publiek daar zelf van vindt lijkt eigenlijk niet van belang. Wij vonden echter dat de visie van het grote publiek wel degelijk van belang is. Dat is ook een kwestie van perspectief: de kenner legt uit aan de leek hoe het zit, maar vraagt niet aan de leek wat deze ervan vindt. Terwijl de kenner ook kan leren van de leek, want iedereen ervaart kunst op zijn eigen manier; er is niet een standaardrecept voor het uitleggen van een schilderij. Het is goed dat de kenner zijn kennis inzet om de leek op weg te helpen bij het proces van interpretatie. Wij vonden dat dat echt anders moest en toen hebben we dat manifest geschreven. Dat is gepubliceerd in NRC Handelsblad en daar is vervolgens heel veel discussie over geweest. Het wordt nog steeds op universiteiten gebruikt om studenten te laten nadenken over de museale praktijken. Dat doet me wel deugt.

*Tijdens het bezoek aan De Lakenhal heb ik op verschillende punten en in diverse werken een link ontdekt tussen kunst & literatuur. Als eerste voorbeeld noem ik ‘Het Grote Gele Doek’ van Jan Wolkers, ook wel zijn persoonlijke ‘laatste oordeel’ genoemd, hierbij refererend aan het 16de eeuws drieluik ‘Het Laatste Oordeel’ van Lucas van Leyden. 
Klopt hierbij overigens de anekdote dat Jan Wolkers deze met zijn toekomstige modellen bezichtigde?
Dat klopt inderdaad. Hij noemde het drieluik het ‘groot super nudistenkamp’. Hij nam plaats op de bank ervoor met zijn modellen/vriendinnen en probeerde de dame in kwestie ter plekke ervan te overtuigen dat het dus in de 16de eeuw al gebruikelijk was dat één vrouw model stond in allerlei poses voor de kunstenaar. “Kijk maar naar Het Laatste Oordeel; al die vrouwen zijn gelijk”, aldus Jan Wolkers.
-wat verder ook opviel is het enorme glas-in-loodraam van Harm Kamerlingh Onnes.
Dat heeft inderdaad een bijzonder verhaal. Dat raam is namelijk gemaakt voor het gebouw van het Algemeen Handelsblad in Amsterdam, achter de Dam in 1927. Toen de krant samenging met De Nieuwe Rotterdamse Courant is de naam veranderd in NRC Handelsblad en ging het hoofdkantoor met redactie naar Rotterdam. Het pand kwam leeg te staan, werd verkocht en het glas-in-lood raam werd opgekocht door een boer in Zeeland, louter vanwege de waarde van het lood.

Glas-in-lood raam van Harm Kamerling Onnes uit het Algemeen Handelsblad gebouw, Amsterdam (1927-28)

De waarde van het kunstwerk werd hierbij dus volstrekt onderkent. De boer in kwestie kreeg na verloop van tijd blijkbaar toch een beetje wroeging, heeft het werk dus niet uit elkaar gehaald en heeft de kisten waarin hij het raam had ontvangen gewoon in zijn schuur gezet. Die kisten met inhoud hebben daar dus jaren gestaan, totdat de boer overleed. Na zijn overlijden is het werk toen aan dit museum geschonken.

*Worden hier en daar bewust soortgelijke linken gelegd en zijn er meer van dit soort overeenkomsten te ontdekken (bijvoorbeeld tussen kunst & muziek)?
In het algemeen zijn er allerlei kruisbestuivingen en dwarsverbanden tussen de verschillende soorten  kunst. Ik vind het belangrijk dat een grens zelden of nooit een harde lijn is; in werkelijkheid is het vaak een grijs gebied. Zo was iemand als Jan Wolkers bijvoorbeeld een dubbeltalent; er zijn allerlei verbanden tussen zijn schilderkunst en zijn literatuur. Ander voorbeeld is dat er verschillende citaten in het museum aan de muren hangen, bijvoorbeeld van Karel van Mander. Vergeet ook niet het exemplaar van het tijdschrift ‘De Stijl’ in onze collectie, opgericht door Theo van Doesburg in 1917. We hebben verschillende werken van kunstschilder Floris Hendrik Verster (1861-1927-red), kunstschilder die heel veel contacten had met de dichters van zijn tijd. Er zijn ook een aantal gedichten gemaakt over zijn schilderijen (bijvoorbeeld door dichter & letterkundige Albert Verwey, (1865-1937)-red).
Het geschreven woord en het beeldende is op die manier voortdurend met elkaar in interactie. Zo hebben we in 2010 een hele mooie gedichtenbundel gemaakt ‘Dichters van Het Laatste Oordeel’, waaraan tien Nederlandse dichters, onder wie Gerrit Komrij, Ilja Leonard Pfeiffer en Hagar Peeters, hebben meegewerkt die speciaal voor ‘Het Laatste Oordeel’ een gedicht hebben gemaakt.

Waar ik betreft muziek & kunst ook graag aandacht op wil vestigen, zijn de Koorboeken die we samen met Erfgoed Leiden in onze collectie hebben. ‘Het Laatste Oordeel’ is daarmee verbonden; ze komen namelijk beiden oorspronkelijk uit de Pieterskerk en stammen uit dezelfde tijd. In die Koorboeken is muziek opgetekend die wordt gezongen in de Pieterskerk. Ze bestaan uit een hele mooie serie grote boeken, waarbij de eerste drie delen heel uitgebreid en mooi gedecoreerd zijn met Gotisch schrift. De laatste delen zijn echter heel snel afgemaakt en dus ook kleiner. De verklaring hiervoor is dat de Beeldenstorm in die tijd uitbrak en de muziek als het ware ‘vastgelegd moest worden’ voordat deze verloren zou gaan. Wij hebben meerdere keren per jaar een uitvoering van de muziek uit die Koorboeken, vanzelfsprekend in de zaal waar ‘Het Laatste Oordeel’ hangt.
Uiteraard noem ik ook onze ‘Nacht van Kunst & Wetenschap’ die we in september organiseren.
Je ziet, het is een open concept van hoe het museum is en hoe beeldende kunst zich verhoudt, niet alleen tot andere kunsten, maar ook tot wetenschap en tot de maatschappij.

‘Het laatste oordeel’ van Lucas van Leyden werd geplaatst in de Pieterskerk. Het 16de-eeuwse drieluik overleefde als één van de weinige altaarstukken in Nederland de Beeldenstorm in 1566. Het heeft verschillende locaties opgesierd, waaronder de burgemeesterskamer in het Leids Stadhuis -waar het bijna 300 jaar gehangen heeft-. Sinds 1874 heeft het een prominente plek in museum De Lakenhal. Wegens aankomende verbouwing van deze locatie is het kunstwerk sinds augustus dit jaar in het Rijksmuseum Amsterdam te bezichtigen tot 2017- red.

*In Leiden is het Museum van Oudheden net klaar met een grote verbouwing, nu is het de beurt aan De Lakenhal & Naturalis. Is er in dit kader overleg tussen de verschillende musea in de stad en worden die op elkaar afgestemd om toch de bezoekers naar de stad te blijven trekken?
Natuurlijk bestaan er allerlei vormen van overleg tussen de Leidse musea, maar ook met organisaties als Leiden Marketing of de Cultuureducatiegroep in Leiden of de Cultuur Makelaar, dat is hier in Leiden sinds dit jaar Mirjam Flik. Wij functioneren in een netwerk van lokale, nationale & internationale musea. Bij de planning van de verbouwing hebben wij geprobeerd om met die collega’s te zorgen dat onze topstukken zo goed mogelijk te zien zijn in de periode dat het museum sluit. Zo zullen er heel veel werken op andere locaties te zien zijn. ‘Het Laatste Oordeel’ van Lucas van Leyden is al verhuisd naar de eregalerij van het Rijksmuseum in Amsterdam. Zodra wij echt sluiten zullen nog negen andere topstukken dezelfde weg volgen. Maar ook bijvoorbeeld het Dordrechts Museum, het Frans Hals Museum in Haarlem, het Mauritshuis in Den Haag en Museum Catharijneconvent in Utrecht staan op de lijst voor delen van onze collectie. In 2012 hebben we een werk van Rembrandt aangekocht ‘Brillenverkoper’.  Deze gaat samen met de 3 andere werken uit die serie op een internationale tournee.

‘De zelfopoffering van Burgemeester Pieter van der Werf’ – Mattheus Ignatius van Bree (1817)

*De eerste aanbesteding voor de verbouwing is mislukt, omdat de vraagprijs van de aannemers te hoog was. Hoe gaat u ervoor zorgen dat de nieuwe aanbesteding wel gaat lukken? Gaan er delen van het plan geschrapt worden of moet er meer geld beschikbaar komen. In het nieuws werd gemeld dat iedere maand uitstel de kosten voor de verbouwing met 2% laten stijgen. Is hierdoor naar uw mening haast geboden?
De laatste uitbreiding van dit museum heeft plaatsgevonden in 1921, dat is bijna honderd jaar geleden. Daarna, in 1931 heeft de toenmalige directeur wederom een voorstel tot uitbreiding van het museum gemaakt. Dit is er toen niet van gekomen. In 1947 werd het plan opnieuw aangekaart bij het Leids Stadsbestuur en uiteindelijk zijn in 1951 de eerste panden aan de Lammermarkt aangekocht om de uitbreiding te realiseren.
Ik zeg heden ten dage wel eens tegen mensen dat je nu, anno 2016, aan de verpaupering die aan het gebouw aan de Lammermarkt is opgetreden kunt zien hoe lang dit project zich nu al voortsleept. Het is eigenlijk 65 jaar planvorming geweest. Daarbij heeft Leiden financiële tegenslag gekend; de hele Leidse industrie is ingestort, het is gedurende 20 jaar een artikel 12 gemeente geweest. Mede daarom denk ik dat het heel belangrijk is dat we niet opnieuw uitstel van planvorming krijgen, niet alleen voor het museum, maar zeker ook voor de stad in het bijzonder.
Natuurlijk is het vervelend dat die aanbesteding is mislukt. Wij hebben in dit kader ook een voorstel gemaakt voor planaanpassing, dat wil zeggen dat we onze ambitie naar beneden hebben bijgesteld en op basis daarvan hebben we de aannemers gevraagd om opnieuw een bod te doen. Tegelijkertijd realiseren we ons dat we mogelijk nog een extra credit aan moeten vragen bij de Gemeenteraad, om er zeker van te zijn daadwerkelijk tot uitbreiding over te kunnen gaan. Deze is voor de zomer begon al gereserveerd en we hopen hier in het najaar een positief besluit op te krijgen, zodat we naar al die jaren eindelijk kunnen beginnen. We verwachten echter dat het besluit niet voor 3 oktober valt, maar hopelijk wel kort daarna. Zodra dat besluit is gevallen gaat het museum dicht en dan hopen we na de jaarwisseling definitief te kunnen beginnen.

‘Gezicht op De Lakenhal’ – Susanna van Steenwijck-Gaspoel (1642)

Impressie voorgevel, met rechts de Papevleugel & links het nieuwe museumcafé

*Binnen de muren van de Leidse musea lijken er niet alleen in de collectie, maar ook onder de mensen wat verschuivingen plaats te vinden. Hierbij denk ik aan namen als: Nurmaz Deniz van Museum Jan Cunen in Oss, Gerard de Kleijn van Museum Gouda, Edwin Jacobs van het Centraal Museum Utrecht & Wim Pijbes van het Rijksmuseum Amsterdam.
Heeft dat te maken met het huidige subsidiebeleid voor Kunst & Cultuur in Nederland en kunnen we een soortgelijke stap ook van Meta Knol verwachten?
Wat dat betreft ligt het in ons vakgebied, de kunstwereld denk ik niet anders dan bij andere bedrijven & organisaties; je hebt overal mensen die van positie wisselen. Ik denk ook niet dat er een link is met het subsidiebeleid. Het is wel zo dat je ziet dat, onder druk van het huidige subsidiebeleid en bezuinigingen die tijdens de crises hebben plaatsgevonden, met name veel kleinere musea in financiële nood zijn gekomen. Het aantal culturele instellingen is echt verminderd, met name ook de instellingen voor hedendaagse kunst. Dit laatste betreur ik, omdat ik denk dat je kansen en ruimte moet bieden aan vernieuwing & erfgoed. Als je dat niet meer doet, verdwijnt naar mijn idee de energie uit je culturele landschap en daarmee uiteindelijk ook uit de samenleving. Daarbij wordt het zowel voor de kunstenaars als voor de werknemers van een museum niet gemakkelijker gemaakt. Het aantal functies is namelijk minder geworden en dat is jammer voor mensen die graag in een museum willen werken en uiteraard voor de kunstenaars die hun werk graag tentoon willen stellen.
Wat betreft mij eigen positie kan ik zeggen dat ik het op dit moment heel erg naar mijn zin heb in Leiden en De Lakenhal; in dat opzicht zie ik nog heel veel mogelijkheden voor de toekomst.

*Wat ziet u als het belangrijkst behaalde resultaat sinds uw aanstelling als directeur van De Lakenhal?
Toen in 2009 als directeur bij het museum begon, was het duidelijk dat het op allerlei terreinen te maken had met achterstanden, veroorzaakt door de jarenlange planvorming. Je kunt je voorstellen dat je zou kunnen besluiten nu geen groot onderhoud te doen, omdat je eerst het hele gebouw wilt restaureren. Of dat je nu niet extra investeert in tentoonstellingen, want er moet eerst een goede en geschikte ruimte hiervoor komen. Zo ging dat op dat moment eigenlijk op alle terreinen. Vlak voor mijn aanstelling is er een rapport gemaakt met een soort röntgenopname van de situatie in het museum op dat moment. Daar kwam onder meer uit dat er veel achterstanden waren, met name op het gebied van de registratie en digitalisering van de collectie. Verder bleek dat er ten aanzien van het personeelsbeleid verbetering en actualisatie nodig was. Daarbij was het budget van de tentoonstellingen, vergeleken met musea van hetzelfde formaat, bijvoorbeeld het Frans Hals Museum in Haarlem of Museum Het Valkhof in Nijmegen, heel veel minder. In dat opzicht is het eigenlijk een wonder wat ons museum nog allemaal heeft gedaan met de beperkte middelen die het had. Verder wil ik de conditie van het gebouw zelf nog noemen: de klimaatinstallatie was allang afgeschreven en was niet geschikt om wisselende tentoonstellingen te maken. We hebben geen educatieruimte. We hadden geen auditorium; die hebben we nu wel tijdelijk zelf gecreëerd, zij het met onvoldoende faciliteiten. Er was geen museumhoreca, behalve een koffieautomaat. Kortom: het museum liep op allerlei terreinen achter. Toen ik dat destijds allemaal las en met de mensen in en rond het museum ging praten, besloot ik dat het museum eerst op koers moest komen. Het moest eigenlijk zijn eigen identiteit weer hervinden, met de kernvraag: wie zijn wij en hoe brengen we dat over naar het publiek? Toen hebben we voor het jaar 2010 het volgende beleid ingezet: we hebben er voor gekozen om het hele jaar aan één project te wijden. Dat hebben we gedaan door alle andere tentoonstellingen die op de agenda stonden te annuleren en vervolgens zijn we het hele jaar gaan wijden aan de collectie van het museum. Dat is de basis van het bestaan van het museum; de collectie en het erfgoed van en over Leiden die wij hier beheren. Die 22000 voorwerpen. Mijn visie is: als je met de collectie wilt communiceren, dan moet je weten wat je in huis hebt. In praktijk bleek dat er een knelpunt lag bij de digitalisering en de registratiesystemen. De registratiesystemen waren niet goed op elkaar afgestemd en de digitalisering was lang niet voltooid.
We hebben toen een project opgestart met de naam ‘Werk in uitvoering’. Dat wil zeggen dat we een lopende band van 65 meter lang hebben gemaakt die we midden in het museum hebben neergezet en daarop zijn in één jaar tijd ruim 13000 voorwerpen uit het depot langs 4 werkstations gegaan. De medewerkers van het museum zaten in de publieke ruimte van het museum om met die objecten te werken. Het zag er als volgt uit: in het eerste station werd het object schoongemaakt. Daar werd ook gekeken wat er aan actieve of passieve conservering, dan wel restauratie nodig was. Bij het tweede station werd de registratie uit het verleden: de archieven, de kaartenbakken overgezet op een ander systeem. In het derde station werd het allemaal gedigitaliseerd en aangevuld met de laatste gegevens. In het vierde en laatste station vond de fotografie plaats.

Project ‘Werk in uitvoering’ Museum De Lakenhal (2010)

Op deze manier kregen we gaandeweg dat jaar een veel beter beeld van wat we allemaal in huis hadden en vooral wat daar bijzonder aan was. Een goed voorbeeld is alleen al het feit dat wij gevestigd waren in De Lakenhal en dat Leiden zeven eeuwen lang een stoffenstad is geweest. Dit historische feit was naar ons idee eigenlijk op de achtergrond geraakt. Dat is op zich niet zo raar, want de stoffenindustrie is in de loop van de 20ste eeuw als soort een domino-effect omgevallen en failliet gegaan. Dat was dus niet iets waar de stad nog écht trots op was. Maar als je kijkt naar al die eeuwen daarvoor is het wel degelijk heel bepalend geweest en wij hebben een hele mooie collectie stoffen en allerlei voorwerpen en werktuigen die met die stoffenindustrie in Leiden te maken hebben.

 

Met name dat laatste aspect hebben we toen weer vooraan op de agenda gezet. Eind 2010 hebben we ook opnieuw de missie, visie en de doelstelling van het museum benoemd. Vervolgens zijn we een nieuwe huisstijl gaan ontwikkelen en hebben de gehele collectie op internet gezet. Toen konden we het beeld van De Lakenhal neerzetten, wat het naar ons idee zou moeten zijn. We zijn een museum van Kunst, Kunstnijverheid & Geschiedenis van en òver de stad Leiden. We doen dit voor een breed publiek met als doel de mensen hierbij niet alleen te informeren, maar ook te inspireren en daarmee bij te dragen aan hun persoonlijke ontwikkeling.
Vervolgens hebben we aspecten als bijvoorbeeld tentoonstellingsbudgetten en personeel & organisatie nog onder de loep genomen. Toen dat eenmaal gebeurd was vonden we het fundament stevig genoeg om de planvorming omtrent de restauratie en uitbreiding van het museum in gang te zetten. Daar zitten we nu dus midden in.

*Tijdens het museumbezoek werd ik geïntrigeerd door ‘Preparations’ , het wassen beeld van Roy Villevoye …
Die reactie is nou precies wat we van een bezoeker op dit werk verwachten. Weet je, alles wat logisch is, zien we niet meer. Zo zit het menselijk brein in elkaar. We zien bijvoorbeeld afwijkingen: degene die kloppen geven we minder aandacht, terwijl onze aandacht wèl uitgaat naar degene die niet kloppen. Dit wassen beeld klopt niet, omdat het in een zaal staat met kunst uit de 16de eeuw; deze man komt uit een andere wereld en andere tijd. We begonnen dit gesprek met de organisatie Framer Framed en dat idee zit hier ook achter. Je zet dingen in een ander perspectief neer, waardoor mensen anders gaan nadenken en denken:” Wat doet dit hier? Wie is deze man? Wat vind ik van dit wassen beeld en hoe verhoud ik mij daartoe?

 

‘Preparations’ – Roy Villevoye (2009)

Het is ook een indrukwekkend werk; het is een donker getinte man die een groot houten kruis vasthoudt. We hebben het dan ook geplaatst midden in een zaal vol met 15 & 16de -eeuwse schilderkunst, gericht op religieuze, christelijke devotie. Het drieluik wat er naast zou moeten hangen – nu in restauratie- is ‘De Kruisiging van Christus’ van Cornelis Engebrechtsz. Daarachter staat dan die man uit ons hedendaags tijdsbeeld, die verbonden is met dat vroegere tijdsbeeld door dat enorme houden kruis vast te houden. Nederland was destijds koloniaal heerser over Papoea-Nieuw Guinea en heeft daar, in tegenstelling tot de rest van Indonesië, een enorme missie en zendingsdrift op los gelaten. De kerstening van de oorspronkelijke bevolking van Papoea-Nieuw Guinea heeft echt met overweldigend succes plaatsgevonden, in zoverre dat de stammen die daar leefden het blanke Christelijke geloof hebben vermengd met hun eigen magische beleving van het leven. Natuurlijk hebben die mensen ook nagedacht over de vraag “waar kom ik vandaan, waarom besta ik en waar ga ik naartoe als ik dood ben?” Dat zijn essentiële vragen die overal in de wereld aan de orde zijn. Die man staat daar aan dat kruis en dat roept de vraag op hoe hij daarmee om gaat. Kortom: het heeft dus aspecten van kolonialisme en de overheersing van het Christendom en het effect daarvan op andere culturen, maar het gaat ook over een algemeen menselijk probleem van: waarom besta ik, hoe ga ik met mijn leven om, waar kom ik vandaan & waar ga ik naartoe? Iedereen heeft een eigen manier om antwoord te vinden op die levensvraag. Ik vind het mooi als het museum dat ook zichtbaar kan maken.

*Kunt u ten slotte iets zeggen over de toekomstvisie van museum De Lakenhal?
Ik hoop dat we na een kwaliteitsvolle restauratie bij de heropening een prachtig eigentijds museum kunnen laten zien. Daarmee hoop ik dat we echt weer een plek van betekenis mogen worden, waarbij we niet alleen voor de stad, maar ook landelijk en internationaal een mooie rol kunnen vervullen.