Interview met Pepijn Reeser, Taalmuseum Leiden

*Wil je in het kort vertellen wie je bent en wat je achtergrond is?
Mijn naam is Pepijn Reeser, ik ben geboren in 1984 in Eindhoven. Ik heb geschiedenis gestudeerd aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Op de universiteit heb ik altijd veel journalistieke dingen gedaan, waarbij ik de passie ontwikkelde om dingen zichtbaar te maken. Zo heb ik sindsdien een aantal boeken en artikelen geschreven, meegewerkt aan tentoonstellingen en documentaires en deed ik beeldredactie. Inmiddels loop ik zo’n 10 jaar rond in de museumwereld.

*En nu werk je voor het Taalmuseum?
Het Taalmuseum is voor mij een hele interessante en mooie kans om de dingen die mij aan het hart gaan samen te laten komen. Aan de ene kant is dat (taal)kennis. Ik ben iemand die graag wil weten hoe de wereld werkt. Maar die kennis gaat voor mij pas leven als ik er een sociale bezigheid van maak, als je het erover kunt hebben – kortom als er publiek bij komt kijken. De opdracht die ik bij het Taalmuseum heb, is om bij ieder onderwerp te zoeken naar een creatieve, publieksgerichte vorm. Dat kan een kwartetspel zijn of een tentoonstelling of een animatiefilm of misschien wel een documentaire. Dat is ook waarom ik hier op mijn plek zit. De expertise is er namelijk, dankzij de betrokkenheid van de universiteit bij het Taalmuseum (ik leer zelf ook vaak nieuwe dingen); de uitdaging zit in het zoeken van een publieksgerichte vorm.

*Kan je iets vertellen over het ontstaan en de ontwikkeling van het Taalmuseum?
Ja, natuurlijk. Het woord ‘Taalmuseum’ zweeft al decennia rond. Taal is hartstikke interessant, het verdient volgens velen een museaal podium, maar het is lang best moeilijk geweest om dat in de praktijk te realiseren. Wie moet dat doen en hoe? Het is nu gelukt dankzij de Universiteit Leiden en de steun van de gemeente Leiden. De basis ligt bij de universiteit, waar enorm veel taalkennis aanwezig is. Wij zien het als onze opdracht om deze kennis te delen; dus willen we ook niet op de universiteit blijven maar juist de stad als podium gebruiken. Daar zoeken we voortdurend mensen en organisaties die ook waarde hechten aan taal en samen willen werken.

*Jullie hebben een prima partner aan een organisatie als BplusC. Beiden vullen elkaar aan en hebben vrijwel dezelfde doelgroep….
Die samenwerking gaat ook uitstekend. Gelukkig, want zij bereiken meerdere doelgroepen waar wij ook op mikken. De doelgroep die we vrij snel kunnen bereiken is uit zichzelf in taal geïnteresseerd en heeft uit zichzelf oog voor dit soort activiteiten, de ‘taalfanaten’. De groep die voor ons al wat lastiger te bereiken is, bestaat uit mensen voor wie taal wel belangrijk is, bijvoorbeeld gezinnen met kinderen of mensen die bezig zijn een taal te leren. Ook dat zijn vaak bibliotheekbezoekers. In hun leven kunnen wij denk ik, meer dan in dat van taalfanaten, een verschil maken. Doordat we bij hen iets losmaken over hoe fascinerend, interessant, mooi of emotioneel taal kan zijn, kunnen we hun leven verrijken. Misschien kunnen we dat zelfs makkelijker maken: ik denk dat gevoel voor taal en bewustzijn van de werking en kracht van taal helpen om met meer vertrouwen in het leven te staan. We leven in een enorm ‘talige’ wereld, je beweegt daar soepeler doorheen als je controle hebt.

*Jullie hebben een kwartetspel op de markt gebracht?
Het grappige is dat we het niet helemaal zelf hebben bedacht, het is een wisselwerking geweest. We zijn in de eerste instantie naar bibliotheekbezoekers in Leiden en omgeving toegegaan met de vraag welke woorden of taalgebruik zij in hun sociale omgeving gebruiken. Dat heeft een hele lange lijst met uiteenlopende voorbeelden opgeleverd en daarmee zijn wij gaan puzzelen, om een vorm van samenhang te realiseren en er een product van te maken. In eerste instantie dachten wij aan een alternatief woordenboek, maar uiteindelijk paste een kwartetspel beter bij de inzendingen en doelstellingen van het project, namelijk laten zien dat taal iets is waar je speels mee kunt omgaan, bijvoorbeeld in kleine kring eigen woorden te bedenken. Het leuke van dit kwartetspel is dat je de woorden voor je ziet omdat er aansprekende tekeningen bij gemaakt zijn. Hierdoor zie je in één oogopslag in welke context het woord gebruikt wordt. Zonder die beeldende vorm was het gewoon een lijst, nu is het echt iets leuks en bijzonders geworden. Zo zie je de kracht van beeld. Dat is ook de reden dat wij liever dit soort producten maken dan dat we bijvoorbeeld lezingen organiseren. Omdat taal een vluchtig, dynamisch onderwerp is, ben ik er erg voor om het met concrete producten tastbaar te maken.

*Over beeldverhalen gesproken: jullie organiseerden vorig jaar een tentoonstelling over Chinese tekens. Dat zag er goed uit.
Voor de tentoonstelling Vol van Karakter: Chinees in Leiden werkten we intensief samen met sinoloog en taalkundige Jeroen Wiedenhof, die als gastcurator optrad. We wilden voor het Leiden Asia Year iets doen met Chinese taal. Dat is een lastige klus, want wat vertel je? Er zijn zo’n 18 Chinese talen, ze zijn eeuwenoud, en er is ook nog de complexe relatie tussen taal en het Chinese schrift. De mogelijkheden zijn enorm, terwijl je voor een tentoonstelling juist duidelijk moet kunnen maken waar het precies over gaat. Uiteindelijk namen we zijn fascinatie als uitgangspunt voor het project, en dat heeft volgens mij heel goed uitgepakt. Hij koos een aantal objecten uit die volgens hem een verhaal vertellen over hoe Chinezen met taal omgaan en over hoe Leidse wetenschappers daar naar keken.

Wetenschappers geven doorgaans feitelijke informatie, dat is de kern van het wetenschappelijk bedrijf: waarheidsvinding, achterhalen hoe de wereld werkt. In dit geval werd het juist een heel persoonlijk project, ‘de keuze van Jeroen’. Dat was voor alle partijen spannend, maar werd steeds leuker. Zo besloten we gaandeweg om ook een aantal filmpjes met Jeroen op te nemen, die zijn inmiddels duizenden keren bekeken en behoren wat mij betreft tot het leukste wat ik ooit heb gemaakt. Het is allemaal heel toegankelijk, maar als je de bijbehorende catalogus leest, heb je een heel goed en breed overzicht van hoe het nu eigenlijk zit met het Mandarijn.

(foto: Anna Glinka)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

* Over visualisatie gesproken, wil je iets meer vertellen over de Muurgedichten in Leiden?
Jazeker, want dat is één van onze grote projecten voor dit jaar. Wij zijn een museum over taal, opereren vanuit Leiden en willen de stad als podium gebruiken. Daarom haken wij met veel plezier aan bij de meest zichtbare taaluiting in het straatbeeld: de Leidse Muurgedichten. Er bestaan nu zo’n 110 fraaie exemplaren. In samenwerking met Stichting TEGEN-BEELD zorgen wij voor een nieuwe website waarop je straks allerlei verhalen bij de muurgedichten kunt vinden. Allereerst gaat het om feitelijke informatie, bijvoorbeeld over de drijfveren van de dichter, vertalingen en achtergronden. We gaan ook op zoek naar de betekenis voor de stad en zorgen ervoor dat je alle gedichten kunt beluisteren in de originele taal. Dat levert soms verrassende inzichten op; bij de Russische gedichten is de klank bijvoorbeeld vaak erg belangrijk.

Vorig jaar zomer zijn we hier met een stuk of 20 vrijwilligers mee begonnen, en inmiddels zijn dat er alweer wat meer en werken er ook vier stagiaires aan vertalingen. We willen alles in het Nederlands en Engels aanbieden, samenvoegen met stadswandelingen en meteen een educatief component aan verbinden. Op deze manier mikken we dus op doelgroepen als scholen en toeristen en natuurlijk op Leidenaren. De muurgedichten zijn van iedereen, wij maken ze zo wat beter toegankelijk.

*Een ander mooi project is het gedicht in gebarentaal in de Hortus Botanicus in Leiden…
Dat was ook een samenwerking die van meerdere kanten samenviel. Stichting TEGEN-BEELD bestond vorig jaar 25 jaar. Wij vonden het wel mooi om in dit kader een bijzonder gedicht te realiseren. Op de universiteit is veel kennis aanwezig op het gebied van gebarentaal. Zo ontstond het idee van een eerbetoon aan Wim Emmerik, die Nederlandse Gebarentaal op de kaart heeft gezet. Dat we het gedicht hebben kunnen realiseren, danken we aan de Hortus én komt omdat we de gebruikers van gebarentaal hebben weten te bereiken en hopelijk het gevoel hebben gegeven dat dit project echt van hun was. Dat zag je ook wel bij de lancering van het gedicht, waar een paar honderd mensen aanwezig waren. Dat was heel bijzonder, ook omdat de voertaal daar gebarentaal was.

*Is gebarentaal erkend als officiële taal?
Het aardige is dat gebarentalen volgens de wetenschap echte talen zijn, met een eigen grammatica en ‘woorden’schat. Gebarentalen verschillen onderling, er zijn ook taalfamilies. Het is erg fascinerende materie. Ik heb er zelf veel over ontdekt toen ik met hulp van enkele experts het boekje schreef dat we als tegenprestatie aanboden in de crowfundingcampagne voor het muurgedicht in Nederlandse Gebarentaal, dat nu nog via onze webwinkel te koop is. Daarin zochten we antwoorden op allerlei simpele vragen: hoe zijn gebarentalen ontstaan, hoe hebben ze zich ontwikkeld, hoeveel verschillen ze van elkaar. Ik merkte tijdens dit project dat er zoveel onbekendheid was over gebarentalen, dat het me erg goed leek om zo’n eerste kennismaking te realiseren.

*Is braille ook een erkende taal?
Kijk, als je precies bent is braille geen taal maar een schrift. Dat vinden we natuurlijk ook interessant en daar hebben we het met Stichting TEGEN-BEELD ook over gehad. Er is een voorlopig idee om poëzie in braille in Leiden te realiseren, als onderdeel van de muurgedichten.

 

 

* Hoe is het idee voor jullie logo ontstaan?
Voor ieder project dat wij lanceren, gaan we samen zitten met onze huisvormgever Robin Stam. Hij heeft onze huisstijl ontwikkeld. Die is kleurig, vrolijk, speels. Dat is ook wat het Taalmuseum wil zijn: het gaat ons niet om taalfouten of taalergernissen, maar om fascinatie, schoonheid, creativiteit, het feit dat iedereen taal gebruikt en dat het interessant is om daarbij stil te staan. Robin heeft ook ons logo ontwikkeld, en wat daaraan wellicht opvalt is dat er niet Het Taalmuseum staat maar Taal! Daar kun je in lezen dat we niet de nadruk willen leggen op het woord museum, wat voor veel mensen een beeld oproept van een soort tempel of schatkamer. Dat is niet wat het Taalmuseum is, we hebben geen collectie en geen gebouw. Toch zijn we wel een museum, want alles wat we doen gaat over verbeelding. We maken taal zichtbaar en nodigen daarmee uit tot gesprek en discussie erover. Dat is volgens mij in essentie wat een museum is: een instituut dat de zintuigen prikkelt, daarmee iets losmaakt en vervolgens vraag wat dat ‘iets’ is, en dat misschien ook weer ophaalt en teruggeeft. Dat klinkt misschien wat abstract, voor het Taalmuseum gaat het erom dat we niet simpelweg vertellen hoe taal in elkaar zit, maar dat we ook benieuwd zijn wat die kennis met de bezoeker doet. Mijn ideale museum gaat eerder om uitwisseling dan om eenrichtingsverkeer.

* Je bent ook werkzaam voor het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Kan je daar iets over vertellen?
Ik ben freelancer en doe een paar grote projecten. Naast het Taalmuseum werk ik al een tijd voor het Nederlands Openluchtmuseum. Dat museum is in 1912 ontstaan, in een tijd waarin de samenleving en met name het platteland snel aan het veranderen was. Veel traditioneels waaraan men gehecht was verdween en de voorwerpen die herinnerden aan hoe het vroeger was, kwamen in het museum terecht: kleding, huisraad, gereedschappen. Die werden gezien als typerend voor een gebied, net als bijvoorbeeld de boerderijen, die vaak een streekgebonden vorm hadden. Openluchtmusea, Arnhem is geen uitzondering, tonen dus doorgaans het leven van de gewone man en vrouw in een specifieke streek, toen het leven nog vooral lokaal, ambachtelijk en traditioneel was. Dat doen ze vooral met gebouwen, die eruit zien alsof de bewoners ‘net zijn opgestaan om een boodschap te doen’. Nog altijd springt het onroerend goed, de boerderijen en visserwoningen, het meest in het oog. Ik hou daar ook wel van, het is een bijzondere ervaring om door een museumpark te lopen met allerlei hutjes en huisjes die het leven tonen zoals het vroeger was. De moeilijkheid is alleen, dat dat leven ons zo ‘vreemd’ is geworden, dat het moeilijk is om een beeld te vormen van hoe men nu echt leefde. Op het eerste gezicht zie je gewoon een oude boerderij, pas als je weet wat je ziet, ontdek je dat je bijvoorbeeld aan hoe het huis werd verwarmd veel kunt aflezen over de streek en de status van de bewoners. Die verhalen zijn in de musea zelf niet zo eenvoudig te vertellen. In een boek kan dat wel. Zo’n boek ben ik aan het maken. Ik vertel hierin verhalen over hoe het dagelijks de afgelopen vier eeuwen is veranderd, aan de hand van de museumcollectie.

 

 

* Heb je een stiekeme voorkeur voor één van de concepten, ik bedoel het openlucht- of taalmuseum?
Voor mij werkt het een beetje als de wet van de communicerende vaten; wat ik bij het ene project tegenkom neem ik mee naar het andere en andersom. Het is uitdagend en leerzaam om af en toe op meerdere borden te schaken, omdat ik mezelf zo voortdurend blijft afvragen wat een museum eigenlijk is of kan zijn, wat publiek is en wil, welke betekenis een woord als tentoonstelling kan hebben. Ik geloof dat ‘museum’ iets dynamisch is, we kunnen er steeds nieuwe vormen voor ontwikkelen, iedere tijd vraagt om zijn eigen soort musea en museale activiteiten. Daarmee zijn de oude vormen niet overbodig, het is juist interessant als ze naast elkaar bestaan, zoals het Openluchtmuseum en het Taalmuseum. Er zijn ook veel overeenkomsten trouwens. Alle musea worstelen met de vraag hoe ze digitale mogelijkheden nu echt goed inzetten. Er kan enorm veel, maar hoe kies je die mogelijkheden die echt aanvullend zijn op wat je al hebt en wilt? Ik bezoek regelmatig musea en dat is volgens mij een van de grote vraagstukken van deze tijd.

* Deze laatste opmerking is interessant: de collectie van verschillende musea is vaak op digitale wijze te bezichtigen. Denk je dat dit gevolgen heeft voor museumbezoek in de toekomst?
Dat geloof ik niet. Ik denk dat er op sociaal vlak enorme behoefte is om dingen samen te ondernemen en dan is museumbezoek een uitstekende keus. Mensen willen geprikkeld worden en ik denk dat er weinig instituten zijn die je zo’n ervaring of, als het om de klassiekere musea gaat, zoveel authenticiteit kunnen bieden. Het gaat vaak ook niet alleen om het object dat je ziet, bijvoorbeeld De Nachtwacht van Rembrandt in het Rijksmuseum Amsterdam, maar ook om de hele setting en interactie daaromheen. Dat je ergens voor in de rij hebt moeten staan, dat het bijzonder was en dat je een foto of selfie hebt gemaakt, dat je onder de indruk was van het gebouw en vanzelf wat zachter ging praten bijvoorbeeld: het draagt allemaal bij aan een ervaring die bijzonder voor je is en die je wilt delen. Wat we de afgelopen jaren hebben gezien is dat digitaal, bijvoorbeeld het online delen van je collectie, vaak eerder voor meer belangstelling zorgt dan dat ervoor zorgt dat bezoekers niet meer komen. Het blijft wel de vraag hoe je, als ze komen, ze iets bijzonders laat ervaren. Daarvan zie ik nog te weinig goede voorbeelden; knoppen, schermen en spelletjes staan te vaak op zichzelf in plaats van dat ze ondersteunend zijn bij een verhaal.

* Ik las een citaat van Maarten van Rossum: “Nederlandse Universiteiten voeren het Engels in hoog tempo in als standaardtaal. Wetenschappers, schrijvers & politici maken zich zorgen dat de Nederlandse taal verkommert”. Wat vind je daarvan?
Ik mopper niet zo over het verdwijnen van de Nederlandse taal, hoewel ik er wel erg aan gehecht ben. Volgens mij is er geen enkele reden om aan te nemen dat het slecht gaat met het Nederlands. De reden dat universiteiten de Engelse taal aanhangen is dat de wetenschap een internationaal vak is. Dus lijkt het me wel handig dat onderzoekers onderling in het Engels communiceren en publiceren, omdat dat internationaal een groter podium bereikt. Een interessante vraag is of het altijd functioneel is dat bijvoorbeeld een masterstudent Nederlands een groot deel van de studie in het Engels moet volgen. ‘Verkommeren’ is naar mijn smaak een te groot woord, je kunt je ook afvragen of iemands Nederlands echt slechter wordt als hij veel in het Engels doet – dat lijkt me bij academici meevallen. Ik zou me vooral afvragen: is het nodig, of kan het ook gewoon in het Nederlands?

Buiten de universiteit ligt het wel wat anders; op middelbare scholen lijkt het me bijvoorbeeld wel belangrijk om enthousiasme voor het Nederlands te stimuleren, en de enorme mogelijkheden te laten zien die het Nederlands biedt. Niet omdat die taal anders ten onder gaat, dat is onzin, maar omdat het bijdraagt aan een rijker leven. En omdat het onderdeel is van ons erfgoed.

 

 

* Wat vind je de leukste en/of mooiste taal?
De ‘mooiste’ is voor mij toch het Nederlands. Er is geen andere taal waarin ik mij zo goed kan uitdrukken, waarin ik zo goed thuis ben. Als je met mooi de klanken bedoelt, dan heb ik wel wat met het Portugees. Dat is voor mijn gevoel een hele warme taal. Als ik het zou schilderen denk ik aan de warme, rijke kleuren en meanderende stromen. Mijn vader beheerst het Portugees vrij goed. Toen wij afgelopen zomer op vakantie op de Azoren waren, hoorde ik het weer overal om me heen en het klinkt gewoon heel goed. Ook hou ik wel van talen die dingen wat mooier maken dan ze hoeven te zijn. Ik kocht op de Azoren een brood, op de zak stond ‘empresa de panificação’, zoiets als ‘onderneming van broodmakerij’ – wij zouden zeggen: bakkerij. Dat is sneller natuurlijk, functioneler wellicht, maar mooier vind ik het niet.

* Welke projecten heeft het Taalmuseum op stapel voor de toekomst?
In het voorjaar lanceren we de nieuwe website voor de Leidse Muurgedichten. Verder organiseren we een activiteit rond de Gemeenteraadsverkiezingen, en leveren we een bijdrage aan het lijsttrekkersdebat in BplusC op 4 maart. Verder spelen we met het idee voor een soort theatercollege en realiseren we in het najaar opnieuw een tentoonstelling. Overigens staan we altijd open voor goede en leuke ideeën. Wie meer wil weten, kan eens een kijkje nemen op onze website: https://taalmuseum.nl/