Interview met Jaap Montagne.

Voormalig stadsdichter, muzikant & performer

* Vertel eens iets over je achtergrond, je jeugd?

Ik ben geboren in Leiden, in het oude Elisabeth Ziekenhuis aan de Hooigracht op de oudejaarsavond van 1958. Ik ben de jongste uit een gezin van vier kinderen. Mijn oudste herinnering staat, denk ik, op 1 maart 1963, toen we verhuisden van zuidwest naar de Surinamestraat. Het staat me bij dat het een koude winter was en dat ik met mijn houten driewielertje aan het spelen was in onze achtertuin waar op dat moment sneeuw lag. In mijn herinnering zakte ik daarbij helemaal weg in de metershoge sneeuw. Als opleiding heb ik, na de basisschool, de mavo gevolgd aan de Paulusscholengemeenschap, daarna ben ik gaan werken. Op mijn 9de jaar heb ik piano leren spelen en noten leren lezen. Jaren later componeerde ik op de piano weleens een nummer, waarbij ik soms stukken van liedjes over de jaren heen aan elkaar plakte. Pas toen ik een paar jaar later gitaar ging spelen, ben ik serieus begonnen met het schrijven van liedjes, zowel Nederlands- als Engelstalige. Vanaf ongeveer mijn 16de  jaar schreef ik gedichten, maar daar deed ik nog helemaal niets serieus mee. Soms, met vrienden onderling in het weekend, droeg ik wel eens iets voor, dat was altijd leuk en had meestal wel succes.

Halverwege de jaren ’70 richtte ik mijn eerste bandje op dat heette Silenus, vernoemd naar de Griekse God. We speelden symfonische rock in de tijd dat de punk in opkomst was.   Op een gegeven moment werd ik lid van de Leidse Vereniging van Popmuzikanten (LVP) en daar bezocht ik veel akoestische avonden, waarbij ik tussen de muziek door vaak het ‘spoken word’- gedeelte deed. Later, in de loop van de jaren ‘80 heb ik met veel plezier bij Chanson Noir in café The Duke in Leiden, bij dichter Leo van Zanen opgetreden. Leo is min of meer mijn ontdekker geweest, hij heeft mij in het begin gestimuleerd om door te gaan met het dichterschap. Dit deed hij onder andere door mij uit te nodigen voor zijn radioprogramma ‘Kunst-uur’.

In die tijd heb ik nog een aantal cursussen gevolgd, waaronder poëzie bij het Leids Volkshuis, dat werd gegeven door de Haagse dichter André Stek. Daarna heb ik een workshop met open podium gevolgd die gegeven werd door Jana Beranova, zij was twee jaar lang stadsdichter van Rotterdam. Na dit laatst genoemde optreden werd ik steeds meer gevraagd voor verschillende podia binnen en buiten de regio Leiden. Mijn eerste optreden buiten Leiden was overigens in Rotterdam. Mijn eerste grote poetryslam was in grand café Festina Lente in Amsterdam. Mijn eerste opdracht als stadsdichter in 2010 was tijdens een culturele manifestatie in het Van der Werfpark. Het was bedoeld als zogenaamde ‘schreeuw’ tegen de bezuinigingen op cultuur op dat moment.

 

* Ben je altijd al met poëzie bezig geweest, ik bedoel bijvoorbeeld van huis uit?

Niet in het bijzonder. Ik was eigenlijk helemaal niet zo goed in het vak Nederlands op school en thuis waren we ook geen echte poëzie-kenners. In mijn ogen is echter het grote voordeel van dichten dat je in het algemeen wat minder aan grammaticale regels vastzit, dus als je al die ‘gebreken’ of ‘fouten’ gewoon neer kan zetten, wordt het vanzelf weer poëzie. De eerste keer dat ik in het openbaar iets voordroeg was meteen met mijn eerste persoonlijke gedicht. Dat was voor mijn broer, die geslaagd was voor zijn bul aan de Technische Universiteit in Delft.  De tweede keer was bij het afscheid van een collega die naar het buitenland ging, destijds bij JVC. Ik noem het nu een gedicht, maar het is niet rijmend en ik doe het op mijn manier; het is dan bij wijze van spreken mijn bedoeling om een denkbeeldige foto te maken van iemands karakter. Het was erg leuk om te doen en vanaf dat moment wist ik ook dat ik dat kon. Daarna werd mij vaker gevraagd iets voor te dragen bij dat soort gelegenheden, maar ik deed het niet altijd; ik vind namelijk wel dat ik de mensen eerst goed moet kennen, voordat ik iets persoonlijks van dien aard voordraag.

 

* Hoe ontstaat een gedicht? Waar ligt voor jou de kern van poëzie?

Een van mijn gedichten luidt: “De dichter zei: ik zoek de woorden niet, de woorden zoeken mij.”. Dit ontstond een paar jaar geleden tijdens een interview met journaliste Yvonne Ottenhof van het Leids Nieuwsblad. Een ander zelf verzonnen citaat is: “Je schrijft iets op en dan weet je helemaal niet dat je dat bedacht hebt”. Weet je, soms is een gedicht een antwoord op iets dat je leest. Een gedicht moet bij mij trouwens wel over mensen gaan, ik schrijf bijvoorbeeld niet over dieren, dat vind ik te makkelijk en dan worden het naar mijn idee fabeltjes. Dat noem ik het dus fabelpoëzie en daar doe ik niet aan.

 

Mijn laatste bundel ‘Biotopia’ gaat over de schoonheid van de stad Leiden. De titel Biotopia is overigens een samen voegsel van de woorden biotoop & utopia. Een biotoop –in dit geval het flatgebouw op de cover van het boek- is de plek waar je bent opgegroeid. Het idee dat de stad nooit af is en we het altijd mooier willen maken dan het in werkelijkheid is, heet een utopie. De illustraties die in het boek staan afgebeeld zijn van de Leidse schilder Hans de Bruijn, vroeger mijn buurjongen in de Surinamestraat. Aardig is dat de burgemeester van Leiden de eerste bundel van Biotopia uitgereikt kreeg (zie foto). Het idee hierbij was dat de ‘eerste’ burger van de stad de eerste Stadsdichtersbundel kreeg.  Zoiets kan natuurlijk ook alleen in Leiden!

 

* Waar haal jij je inspiratie vandaan?

Goed voorbeeld hierbij is misschien de aanslag op de redactie van het weekblad Charlie Hebdo in Parijs vorig jaar: ik zat ’s morgens tv te kijken en hoorde en zag in het nieuws dat een stuk of 40 steden iets zouden organiseren om hierbij stil te staan. Op het moment dat ik mij begon af te vragen of de stad Leiden iets zou willen doen en wat ik dan eventueel als stadsdichter bij zou willen dragen, ging de telefoon: Gemeente Leiden, of ik als stadsdichter iets wilde voordragen: Bingo. Toen ik de verbinding verbrak, had ik de eerste zin al: ‘Het vrije woord houdt niet van één minuut stilte’. (Deze zin staat gegraveerd in een steen, eind vorig jaar onthuld, als mogelijke startpunt van een Stadsdichterswandeling. Initiatief hiervoor is genomen door het Leids Literair Landschap –red.). Kijk, op zo’n moment heb ik mijn gedicht eigenlijk al en wat de trigger dan precies is weet ik eigenlijk niet, maar het is er wel.

Het schrijven van een gedicht helpt natuurlijk ook met de verwerking van verdriet. Zo schrijf ik ieder jaar op vier mei een gedicht voor mijn moeder, die 3 jaar geleden op die datum overleden is. Eén van die gedichten heet ‘nooit meer oorlog’ en gaat over de 2 minuten stilte op Dodenherdenking. Mijn moeder wist uit haar oorlogsverleden precies wat die stilte betekende. Als ik dat gedicht voordraag en ik spreek de laatste regel ‘nooit meer oorlog’ uit, hef ik altijd even het glas en zeg: “Proost, moeder”.

 

* Moet de inspiratie uit jezelf komen of werk je liever in opdracht?

Ik vind een opdracht leuker. Daar zit voor mij de meeste uitdaging in. Zo werd ik in 2014 door studentenvereniging Minerva gevraagd of ik wilde optreden bij de Lustrumtentoonstelling van 200 jaar Minerva. Deze vraag kwam 6 weken van tevoren, de deadline was vastgesteld op één week voor de Lustrumtentoonstelling. Ik was al eens door Minerva uitgenodigd en had daar dus al eens rondgekeken en wat dingen opgeschreven. Toen Minerva mij mailde, twee dagen voor de deadline, had ik nog niks concreets. De volgende dag ben ik een stuk gaan wandelen, heb mijn hoofd leeggemaakt, ben thuis gaan schrijven en toen had ik het: één dag van tevoren.  Resultaat is dan wel dat ze op die manier een echt Jaap Montagne-gedicht krijgen: onder druk geschreven met niet al te lange zinnen, maar wel duidelijk waar het over gaat. Meestal als ik te lang de tijd heb, wil ik te mooie zinnen schrijven en denk ik te lang na. Het gedicht naar aanleiding van de dood van Prince bijvoorbeeld, heb ik even snel in de bus geschreven.

Aardig verhaal is ook  het combinatiegedicht dat ik in maart dit jaar heb gemaakt naar aanleiding van de dood van Johan Cruijff en de voorstelling van The Passion. Beide gebeurden namelijk op dezelfde avond en dat gaf mij veel inspiratie. In dit geval heb ik gebruik gemaakt van mijn dichterlijke vrijheid en heb ik de tekst gebaseerd op de initialen J. C. die ik voor beide gevallen prima kon gebruiken: Johan Cruijff & Jezus Christus. Overigens heb ik het gedicht voor The Passion van vorig jaar gebaseerd op de -in maart 2015- overleden sportverslaggever Hugo Walker en zijn manier van werken.

 

* Zijn er door de jaren heen optredens als dichter die je in het bijzonder bijstaan?

Eén van de meest bijzondere optredens als dichter is zonder twijfel die voor Charlie Hebdo geweest op het Stadhuisplein op 8 januari vorig jaar. “Het vrije woord houdt niet van één minuut stilte”. Dit was mooi en heel indrukwekkend. Het allerleukste was eigenlijk in 2007, met vriend & beeldhouwer Jeroen Spijker, die werkte aan een beeld van Ramses Shaffy.

Jeroen had mij gedurende dit traject al verschillende malen gevraagd om eens langs te komen. Toen het beeld eenmaal klaar was, zou dat door Liesbeth List bij de Stadsschouwburg aan het Leidse plein in Amsterdam onthuld worden. Ik ben toen gevraagd om twee gedichten voor te dragen. Eén gedicht heb ik toen met hem samen geschreven, over de ‘ontmaagding van een fles wijn’, dat past natuurlijk wel bij Ramses Shaffy. Voor het andere gedicht heb ik toen een al bestaand gedicht ‘Stilte’ van mezelf herschreven, waarbij ik stukken tekst van Ramses in mijn eigen bestaande gedicht verwerkte. Toen ik dat tweede gedicht voordroeg, werd het zó stil, echt zo oorverdovend stil in de zaal, zodat ik helemaal opging in het gedicht. Na afloop ontving ik een daverend applaus. Dat was een geweldige ervaring met het gevoel dat ik op twee manieren gewaardeerd werd: door de enorme stilte en daarna het grote applaus.

Tijdens het eten zat ik aan tafel met mensen als Willeke Alberti, Kitty Courbois, Thijs van Leer & Jeroen Krabbé. Toen ik wat later op de avond met Ramses Shaffy zélf in gesprek kwam, vertelde hij dat hij zo’n 11 jaar van zijn leven in Leiden heeft gewoond aan de Rijnsburgerweg. Ik vertelde hem op mijn beurt wat ik één van zijn mooiste liedfragmenten vind; dat komt uit ‘Laat me’ uit 1978. Weliswaar geschreven door Herman Pieter de Boer, maar wel heel mooi en als geen ander vertolkt door Shaffy. (Vert. van ‘Vivre – Ma dernière volonté, Serge Reggiani 1977, red.):

Ik hou van water en van aarde
Ik hou van schamel en van duur
D’r is geen stuiver die ik spaarde
Ik leef gewoon van uur tot uur.

Mijn gedicht ‘plein der eeuwige leegte’ heeft ook een aardig verhaal. Dat gaat over de Steenstraat bij de bioscoop , dat was vroeger een parkeerplaats voor auto’s. Op een gegeven moment moest dat plein van de gemeente autoluw worden, omdat er evenementen zouden komen. Dat laatste, behalve dan met Leiden’s Ontzet, is er nooit van gekomen.

plein der eeuwige leegte

Op het plein der eeuwige leegte
Echoot stiekem verwaaide muziek
pist een hond tegen een kale boom
waait knisperend afval over de klinkers

De maan geeft er geen licht
de zon trekt er zijn gordijnen dicht
Vergeten in een duistere hoek
brengt geen mens een bezoek
aan het plein der eeuwige leegte
Geen hopsasa of tralala
geen salsa en geen tango
geen polonaise, geen hoempapa
geen wals, geen rock & roll

Op het plein der eeuwige leegte
Is het koud, hoor je de wind nooit zingen
een dichter vindt er zijn verdriet
een zwerver zijn armoede
een clown een droef gezicht
over het plein der eeuwige leegte
schrijft niemand een gedicht

Vroeger toen ik nog slamde, heb ik twee keer in de grote finale van het grote slampodium in grand café ‘Festina Lente’ in Amsterdam gestaan. Daar ben ik begonnen met mijn eerste slams. De eerste keer lag ik er in de eerste ronde al uit, maar toen kreeg ik de bar-aanmoedigingsprijs. Een maand later kwam ik weer terug en dit keer stond ik wel in de finale. Een tijd later las ik een recensie over deze avond in de krant, waar ik ontzettend om moest lachen; het publiek had namelijk erg genoten van mijn gedicht ‘plein der eeuwige leegte’. Ze vonden het een mooie weerspiegeling van het Leidse plein.  Nou, de Amsterdammers hadden het blijkbaar niet helemaal begrepen: ik had het publiek namelijk verteld dat het gedicht over ‘een Leids plein’ ging;  natuurlijk stond in de krant dat het over het ‘Leidse plein’ ging.

In ‘Festina Lente’, midden in de Amsterdamse Jordaan, heb ik trouwens na de dood van André Hazes nog een zogenaamd hekeldicht opgevoerd:

André Hazes is dood
Dat is de beste sinds Pim Fortuyn
Al was er niemand die op hem schoot
Hij zoop zichzelf gewoon in puin

Daarna wordt het gedicht wat milder: André Hazes wordt na zijn dood wel degelijk in de muziekhemel opgenomen, samen met muzikanten als Lennart Nijgh & Herman Brood. Na afloop kreeg ik van het publiek een aardig applaus. De jury, waaronder Simon Vinkenoog, kon er wat minder goed tegen…Ze vonden het “een stapje te ver”, terwijl ik dan denk: dit is hekeldichten en dat is gewoon klassieke poëzie!

 

* Heb je wel eens een theaterrol gespeeld?

Nee, maar ik zou wel een toneelstuk willen schrijven. Daar heb ik verschillende ideeën over. Bijvoorbeeld over een groep mensen die jaren lang de traditie hebben om op een bepaalde plek bij elkaar te komen.  Op een gegeven moment is die traditie, om wat voor reden ook, niet meer voort te zetten en gaan die mensen hier allerlei alternatieven voor verzinnen, maar het wordt nooit meer zoals het was. Nou, dat lijkt me een aardig verhaal voor een toneelstuk.

 

* Ben jij wel eens nerveus voor een optreden en hoe ga je daarmee om?

Over het algemeen niet. Misschien soms onbewust, zoals tijdens het optreden voor Charlie Hebdo op het Stadhuisplein. Mijn rechterhand, waarin ik de tekst vasthield, begon plotseling te trillen, waardoor ik het gedicht niet goed meer kon lezen. Het was een gedicht dat ik in 5 uur tijd had geschreven, dus ik kende het nog niet uit mijn hoofd en het begon ook een beetje te draaien voor mijn ogen. Daardoor leek het alsof ik een beetje emotioneel werd, maar ik had dus eigenlijk problemen met lezen op dat moment. De pers schreef na afloop over: ‘ een geëmotioneerde Jaap Montagne’. Die trillende handen had ik trouwens wel één keer eerder gehad tijdens het optreden voor de Lustrumtentoonstelling van Minerva in 2014. Dat zie je ook wel een beetje terug als je de sfeerimpressie bekijkt op Youtube.

 

* Heb je wel eens een gedicht in een andere taal voorgedragen?

In het laatste jaar van mijn stadsdichterschap in 2014 ben ik gevraagd door het Leids International Medical Students Congres, dat eens in de 2 jaar wordt gehouden, of ik een gedicht wilde maken ter gelegenheid van dit Congres. Het moest een Engelstalige tekst zijn over Nederland in het algemeen en dan natuurlijk Leiden in het bijzonder. Als basis ben ik toen begonnen met de tekstregel “I was born in the city of painters & scientists”. Daaromheen bouwde ik dan een heel verhaal over Nederland, waarbij ik clichés gebruikte als fietsen, voetballen, spruitjes, coffeeshops & natuurlijk het gebruik van wiet. Uiteindelijk kom ik steeds dichter bij Leiden door het benoemen van kunstschilders als Rembrandt van Rijn, Jan Steen, Gerard Dou, maar ook wetenschappers als Kamerlingh Onnes & Boerhaave. Een mooi fragment uit het gedicht vind ik zelf: the land of red, white & blue. And orange too. Aardig is dat dit gedicht, inclusief mijn naam vermeld staat in het boek dat uitgegeven is naar aanleiding van deze dag. Ik mocht toen als City poet van Leiden met al die internationale gasten, van China tot Amerika op de foto; heel bijzonder en een hele eer.

 

*Ben je wel eens bang dat je je tekst kwijt bent?

Ik ken 3 gedichten uit mijn hoofd, de rest ken ik voor 80 %. Ik draag dus eigenlijk altijd van papier voor, dat voelt ook meer als ‘dichter’. Bij slamdichten vindt men het over het algemeen belangrijk dat het uit het hoofd voorgedragen wordt. Dan hoef je op zich ook niet zo heel tekstvast te zijn, want dat valt het publiek toch niet op; je moet bij wijze van spreken gewoon doorslammen, zoals dat dan heet in vakjargon. Als ik bijvoorbeeld mijn bekendste gedicht én grote hit ‘de breimachine’ voordraag, ben ik eigenlijk aan het slamdichten. Het grappige is dat ik nog nooit van deze manier van voortdragen had gehoord, toen ik het schreef eind jaren ’80, begin jaren ’90.

 

* Wat is slamdichten eigenlijk?

Slamdichten of slampoetry is ergens in de vorige eeuw ontwikkeld door straatdichters in New York. Het algemene beeld dat men in die tijd van poëzie had was: een saaie bedoeling, waarvan het publiek bij wijze van spreken in slaap viel. Om dat idee weg te nemen zijn deze straatdichters in Amerika begonnen met het ontwikkelen van deze zogenaamde ‘slam-techniek’. Hierbij ontstond ook het idee om het publiek tijdens een optreden mee te laten jureren.

 

*Is slampoetry te vergelijken met rappen?

Ik vind van niet, voor mijn gevoel staat het los van rap. Noem het eerder klankpoëzie.  In Amerika en Duitsland is slampoetry heel populair. Er zijn verschillende slampoetry’s  gewonnen met schitterende sonnetten die zijn voorgedragen door mensen die absoluut nooit rappen. Het idee achter slammen is snelheid. Bij mijn eerste poetry in Rotterdam was bijvoorbeeld mijn persoonlijke opdracht om in 10 minuten zoveel mogelijk gedichten voor te dragen. Dit gaat in mega-tempo; tijd om te klappen is er niet, tijd om na te denken krijg je ook niet. Op die manier is eigenlijk mijn stijl van dichten ontstaan. Daarna deed ik eind jaren ’90 in Amsterdam mee aan mijn eerste slampoetry.

 

* Op je website staat bij je logo, de naam Jamopoëzie. Welk idee zit achter beide?

Heel simpel: Jamo is Jaap Montagne.  Als ik een bedrijf zou hebben, zou het Jamopoëzie heten: Jaap Montagne poëzie. Mijn logo is ontworpen door Johan van den Berg. Ik heb in 1999 in eigen beheer een bundel uitgegeven ‘De stad danst altijd’, die is vormgegeven door dezelfde Johan van den Berg. Nadat hij deze bundel voor mij had gedaan, leverde hij 4 logo’s bij mij in, waaronder deze rood-witte. Die vond ik toen de meest treffende en heb ik dus uitgekozen. Het logo is ontleend aan een foto van een optreden in Delft, waarbij ik in de voor-mij-typische-houding voordraag.

 

* Vertel eens over Dominee van Zanten?

Bij die band ben ik sinds 2002 bassist en daarbij geef ik in sommige nummers achtergrond aan de zang. De oorsprong van de band gaat verder terug in de tijd, zo eind jaren ‘80/begin jaren ‘90 en komt uit Roelofarendsveen & Oude Wetering. We spelen Polderrock; Nederlandstalige muziek dus. Behalve eigen nummers spelen we covers van bands als The Scene, De Dijk, Het Goede Doel. Het verhaal van de bandnaam is trouwens wel grappig; het schijnt dat er een stilte viel op het moment dat ze een bandnaam aan het verzinnen waren, waarop iemand riep: er komt een dominee voorbij. Waar de naam van betreffende dominee ‘Van Zanten’ vandaan komt, weet ik niet.

 

* Schrijf jij wel eens teksten voor de band?

Dat heb ik geprobeerd, maar dat werkte niet. Ik zou een totaal andere muziekstijl bij de band naar binnen brengen. Op zich wel jammer, maar de band heeft in praktijk toch ander repertoire.

 

*Wie zijn eigenlijk je grote voorbeelden?

In de poëzie is dat dichter Paul van Ostaijen, bekend van ‘Boem Paukeslag’ en ‘Huldegedicht aan Singer’, over de Singer naaimachine. Maar ook aan dichters als Ingmar Heytze en Herman de Coninck neem ik graag een voorbeeld. Op muzikaal gebied zijn dat Bob Dylan, Frank Zappa, The Beatles & The Doors.

 

*Heb je je doel als stadsdichter bereikt?

Toen ik net stadsdichter-af was, liep ik over de Maresingel en daar was op een keer zo’n ‘echte Leienaarrr’ die riep: “kijk, daar gaat de stadsdichterrr”. Hij wist me bij mijn naam te noemen en zei: “wel doorrrgaan met dichten, hoorrr!” Toen wist ik: dit is het. Dit was nou de opdracht die ik mijzelf had gegeven toen ik stadsdichter werd: niet te moeilijk doen, blijf er ook voor de gewone mens die weet wat er op de straat afspeelt. Dat is me aardig gelukt; ik heb zowel in de Kooi, Leiden Noord als bij Minerva opgetreden.

Leuk verhaal is ook de Voedselbankblues, dat ik voor het 10 jarig bestaan van de Voedselbank Leiden heb geschreven. Dat gaat over de vrijwilligers en de leveranciers van deze Voedselbank; een vrolijk gedicht over een treurige instelling. Binnenkort komt dit gedicht in het groot op de muur te hangen bij de Voedselbank. Daar ben ik best trots op. Wat dat betreft denk ik dat ik mijn doel tot nu toe aardig bereikt heb!