Russische literatuur

In het licht van de huidige spanningen tussen Rusland en het westen is het aardig om te kijken naar de vroegere relatie van dat enorme land, verdeeld door de Oeral over Europa en Azië, met ons deel van de wereld. Als we de blik beperken tot de kunst en meer specifiek de literatuur, wordt een nauwe band al snel zichtbaar.

Sinds Peter de Grote maakten de tsaren de dienst uit en door hun Europese achtergrond (soms zelfs een Nederlandse) was er een grote culturele verwantschap. Het Russische hof behoorde tot de meest vooraanstaande en de kunsten (schilderkunst, muziek, literatuur) konden zich meten met die van Frankrijk, Duitsland en Engeland. Eén van de eerste grote romans uit die periode is Jevgeni Onegin van Poesjkin, bestaande uit 8 delen, uitgegeven in tijdschrift vorm tussen 1825 en 1831, opgezet als bijna lyrisch verteld gedicht. Het volledige werk werd gepubliceerd in 1833.

Duel tussen Onegin & Lenski, Ilja Repin 1899

Wordt in het algemeen ‘Madame Bovary’ van Gustave Flaubert beschouwd als de eerste moderne romans, in Rusland zou ‘Anna Karenina’ en Leo Tolstoj als zodanig kunnen worden beschouwd, met opvallende overeenkomsten: een gevoelige, tragische vrouw die ten onder gaat aan de liefde en de knellende banden van haar milieu.

Anton Tsjechov 1860 – 1904

Zijn ‘Oorlog en vrede’ kan de vergelijking aan met andere epische werken als ‘A Tale of Two Cities’ (Charles Dickens) en ‘Les Miserables’ (Victor Hugo). Later volgden de verhaalkunsten en Toergenjev en Tsjechov. Deze laatste schreef ook toneelklassiekers als ‘Drie zusters’ en ‘De kersentuin’ waar de ondergang van het tsarendom wordt aangekondigd. In dat laatste sterk verbeeld door de slotakte waarin de geluiden van het omhakken van de bomen in de tuin – toonbeeld van de oude rijkdom- doordringen in het landhuis.

De donkere kanten van de menselijke geest worden beschreven door Dostojevski en Boelgakov (‘De meester en Margarita’); humor en absurdisme worden gevonden bij Gogol (o.a. ‘De neus’ en ‘De revisor’). Na de Russische revolutie van 1917 begon de repressie van het vrije woord  en werden de kunsten beperkt door de realistische stalinistische sovjetregels die de eenvoudige burgers, de militairen en de arbeiders verheerlijkten, zo nu en dan gelardeerd door hagiografiën over communistische leiders als Karl Marx, Lenin en Stalin.

In de jaren ’70 van de vorige eeuw begon de literatuur van de dissidenten door te dringen; één van de meeste gelezen en vertaalde werken was De goelag-archipel van Solzjenitsyn die de gruwelen van de werkkampen in Siberië beschreef. In contrast daarmee was in Europa toen nog de ruk naar links bezig en waren vooraanstaande schrijvers als Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir nog blinde volgers van het communisme.

Jean Paul Sartre & Simone de Beauvoir

Zoals altijd waren er ook exil-schrijvers en andere kunstenaars die hun heil buiten het –tot ‘Sovjet-Unie’ omgedoopte Rusland- en haar vazalstaten zochten. Wetenschappers, componisten, maar ook sporters en balletdansers (denk aan Rudolf Nourejev en Mitchail Barysjnikov en schrijvers als Vladimir Nabokov werkten in het westen in vrijheid. Het oevre van Nabokov is opmerkelijk: zijn eerste boeken schreef hij in het Russisch, zijn latere – waaronder de klassieker ‘Lolita’ – in het Engels. Aanraders zijn ‘Heer, vrouw, boer’, ‘Spreekgeheugen, spreek’ en ‘Pnin’. Deze laatste is een grappige roman over een wat verloren Russische professor aan een Amerikaanse universiteit.

Na de oerkazes ‘Glasnost’ en ‘Perestrojka’ uit Moskou verscheen meer vrije literatuur, maar al snel nam deze kritische toon een vlucht naar het westen, wat onder het nieuwe Rusland van Poetin met harde hand al snel weer de kop werk ingedrukt, met als droevig dieptepunt de moord op schrijfster en journaliste Anna Politkovskaja in 2006.

De invloed van de tegenstellingen tussen Europa en Rusland, in contrast met de overeenkomsten een eeuw eerder, toonde zich sterk in de Koude Oorlog en dan vooral in de spionage-thrillers. De bekendste zijn die van Graham Greene – zelf werkzaam geweest voor de Britse geheime dienst, evenals de geestelijke vader van James Bond, Ian Fleming – en John Le Carre (o.a. ‘The Spy who came in from the Cold’, ‘Tinker, thinker Spy’ en ‘The Russia House’ die ook weer fraaie films opleverden.

De huidige ontwikkelingen gaan anno 2017 snel en vooral de pogingen Europa op te splitsen en daarbij de cyberaanvallen leveren behalve spannende politieke tijden wellicht ook nieuwe kunstzinnige uitingen op. Zeker is dat de rijke historie en verhouding met de rest van de wereld en vooral het westen een eeuwige inspiratiebron zal blijven.